Hoofdstuk 6: Sociale identiteit (pp. 187–224)
Waar gaat het over?
Door andere groepsleden te observeren in hun doen en laten, leren we de karakteristieken die geassocieerd zijn met groepen. Kennis over groepslidmaatschap is geactiveerd door directe herinneringen aan het lidmaatschap, de aanwezigheid van outgroepsleden, in de minderheid te zijn en door conflict of rivaliteit tussen groepen.
De typische karakteristieken van een groep kunnen normen voor gedrag worden wanneer iemand zichzelf ziet als groepslid. Mensen evalueren hun ingroep positiever dan andere groepen omdat ze gemotiveerd zijn om positieve zelfwaardering uit het groepslidmaatschap te halen. Ingroepsbegunstiging wordt vergezeld door outgroepsvernedering wanneer de ingroep zich bedreigd voelt door de outgroep. Mensen nemen de outgroep als homogeen waar. Dit kan verklaard worden door gebrek aan vertrouwdheid, de beperkte aard van de interacties, en de focus op karakteristieken dat ons uniek maakt van anderen.
Het bewust zijn van de bevooroordeeldheid van anderen over de bekwaamheden van de leden van een groep kan stereotype-bedreiging veroorzaken, welke de prestatie ondermijnt. Het behoren bij een negatief gestereotypeerde groep kan een bedreiging vormen voor de zelfwaardering. Men kan de zelfwaardering beschermen door attributies in het voordeel te gebruiken en het beste te halen uit intragroepsvergelijkingen. Wanneer deze strategieën niet werken, kunnen mensen lange-termijn oplossingen toepassen zoals individuele mobiliteit, sociale creativiteit of sociale verandering.

